Laatse en eerste adem

Door Aart Mak

Vandaag in allerlei protestantse kerken en ook vanavond bij Kerk Zonder Grenzen worden de namen genoemd van hen die gestorven zijn. Althans van degenen die in de afgelopen 12 maanden hun laatste adem hebben uitgeblazen en die min of meer bij de gemeenschap van een kerkelijke gemeente hoorden of, zoals in mijn geval, in contact met een predikant kwamen. Dat gaat over de mensen van voorbij van dit laatste jaar. Maar we nemen in gedachten al diegenen mee die al eerder van het leven naar de dood zijn overgegaan. Dat doen we omdat een jaar wel lang is maar voor wie rouwt is een jaar een paar honderd gelijkvormige dagen en daarna is het schrijnende gevoel van gemis niet voorbij, sterker nog, bij velen heeft de pijn van het afgesneden zijn zich zelfs verdiept. Ik hoop dat zulke bijeenkomsten waar met aandacht en eerbied de namen worden uitgesproken, waar kaarsen worden ontstoken en waar liederen en woorden van licht in het donker en liefde die de grenzen overstijgt, klinken, bijdragen aan het verlangen van veel mensen dat ze er niet alleen voorstaan. Wij kunnen als medemensen veel niet, maar dit kunnen we wel: elkaar nabij zijn en niemand het alleen laten opknappen.

De afgelopen week kwam ik langzamerhand bij van het vieren van het jubileum van Kerk Zonder Grenzen. Mooi was het en ook weemoedig stemmend, vergelijkbaar met het bekijken van de foto’s van je ouders toen ze nog in de kracht van hun jaren waren en omgeven werden door een wereld die, zeker achteraf, overzichtelijk en hanteerbaar was, zeker na de verschrikkingen van de oorlog van 40-45. Het in je hand nemen van die zwart-wit foto’s met de overbekende witte kartelrandjes, bezorgt mij altijd een lichte huiver om wat ooit was en niet meer is, ook als ik naar mijzelf kijk, naar het kind dat ik was. Ik katapulteer mij terug in de tijd en herinner me hoe de geluiden en geuren waren, mijn dromen en terugkerende gedachten maar ook mijn gevoel altijd gezien te worden en de onmogelijkheid onder de morele pressie van mijn ouders uit te komen. Ook mijn leven was voor een deel overleven. Ouders die een kind kleden en voeden zijn nog niet altijd goede opvoeders. Ik realiseer mij de laatste jaren meer dan ooit dat de eerste volwassenen in mijn leven, mijn moeder en vader, zelf ook nog kinderen waren. Kinderen in de zin dat ze horig waren aan de maatschappelijke en kerkelijke codes van die dagen, niet of nauwelijks in staat waren - oorlogskinderen die ze waren, om het leven te genieten, mensen royaal hun vertrouwen te schenken en hun kinderen ruimte, zelfbewustzijn en de onbezorgdheid van Jezus mee te geven. Want alles wat ze meegaven, ook als het ging om God en Jezus - en daar ging het in mijn gevoel meer dan vaak over -, was beklemmend, bezorgd en elk gevoel dat tendeerde naar blijdschap om wie je was, wantrouwend.

Ik bedoel dit niet negatief, afbrekend, mocht iemand dat denken. Ik heb mijn werk gedaan, het werk dat ik meen dat elke volwassene te doen heeft: zichzelf onderzoeken, te rade gaan bij mensen die je helpen de knopen in je ziel te ontwarren en af te leren te denken dat jij zelf hooghartig en onaanraakbaar aan de dans van het leven kunt ontkomen. Ook mijn kinderen, die ik tot mijn geluk mocht krijgen, zullen mij later en soms nu al zien als een volwassen vader maar ook een kind van zijn tijd, als iemand dus die zich een aantal zaken niet realiseerde waar anderen in andere tijden wel helderheid over hebben. Alles is dus relatief. Maar geboren worden is dat je de zee van die relativiteit in plonst, moet leren zwemmen, eerst afhankelijk bent en later zelfstanding wordt,  ontdekt wie je bent en wat wel en niet tot je mogelijkheden hoort en wijs wordt, niet alleen door schade en schande, maar ook door schimmigheid en schaamte. Maar het blijft relatief. Geen mens kan zichzelf ontstijgen of je moet een theorie aanhangen dat de ziel eeuwig en onaangetast is en dat wij hier per ongeluk en tot ons verdriet op aarde zijn. Het lichaam is een kerker en de geest is eeuwig, zei Plato dan. Maar die theorie hang ik niet aan. Als God mens werd, dan is het mens-zijn goddelijk. En dat is dus niet hoogverheven maar gewriemel in het kreupelhout. Met pijn en moeite zul je kinderen baren en met het zweet op je voorhoofd er iets van moeten maken. Dat is het leven, maar in dat leven zijn dus waarheid, wijsheid, liefde of wat van God is of herinnert aan God, te vinden.

De dood is dan, in mijn aarzelende overtuiging die ik geloof noem, niet een einde van alles, maar een doorgang naar een leven op andere wijze. Het wil er bij mij niet in dat alles wat wij leerden, ervaarden, bij elkaar tevoorschijn haalden en zelf ontdekten, bij de dood voorgoed voorbij is. Daar is geen bewijs voor op de manier die wij wetenschap noemen, maar wel zijn er inzichten die ons overkomen en die we openbaringen, mystieke ervaringen of hoog gevoelige waarnemingen noemen. En als we dan een leven lang hier zijn, zal er ook volgens mij een leven daar zijn waar degenen die wij liefhadden en om wie we rouwen, ons evengoed liefhebben en uitzien naar onze komst. Dat is een ander maar voor mij wezenlijk perspectief op leven en dood, dood en leven, de laatste adem en de eerste adem. En dat wilde ik aan het begin van deze bijzondere zondag graag met u delen.

 

Terug naar overzicht…

Tweets van Aart Mak

Diensten Dorpskerk Bloemendaal

lees meer