Maar dan loopt er iemand aan mijn raam voorbij

Door Aart Mak

Aanstaande zaterdag is het 38 jaar geleden dat mijn dochter werd geboren. Zij was het tweede kind. Een jongetje was haar veertien maanden en een dag voorgegaan. Isja, het meisje, was geboren voor ik het in de gaten had. Ze rolde tevoorschijn en ze was er. Ik was bijna te laat. Ik dacht dat ik inmiddels verstand had van het grensverkeer tussen baarmoeder en buitenwereld. Haar broertje had er eindeloos lang over gedaan om die grens te passeren, hij rolde niet naar buiten, maar moest tevoorschijn worden getrokken en als de wiedeweerga van zijn paarsblauwe kleur worden verlost.

Ze zeggen wel eens dat geboorte lijkt op dood. Je stapt van de ene wereld over in de andere. U kent wellicht de vergelijking die dominee Van der Zee, de vroegere secretaris van de Raad van kerken van Nederland, eens maakte. Hij schreef het volgende: ‘Soms twijfel ik aan een toekomst door de dood heen. Soms vraag ik me af of ik het wel wil. En of het eigenlijk wel nodig is. Meestal kan ik me er weinig bij voorstellen, al zijn de beelden mij lief. Maar de woorden komen naar me toe. Ineens denk ik: maar ik heb het al eerder meegemaakt, zo’n overgang van leven naar leven. Dat was de geboorte. Stel je voor, dat je je daar nog iets van zou kunnen herinneren… Je leefde in die besloten ruimte, binnen de beperkte en beveiligde wanden van het moederlichaam. En je zou denken: dit is leven, - drijven in het water, je hoofd naar beneden, gevoed via de navelstreng. Hoe zal het daarbuiten zijn? Elke voorstelling was onmogelijk, elk beeld absurd. Toen gebeurde er wat, - iets beangstigends, denk ik. Geboren worden, heette dat. Sterven, dacht je. Je raakte op dreef, je werd uit dat veilige en besloten bestaan naar buiten gewerkt. Hoe zal het daar zijn? Hoe moet dat daar allemaal? Wat een verlies! Alles wat je had, raakte je kwijt. En je schreeuwde het uit van angst. Geboren worden: een sterven… Sterven: een geboren worden… En pas daarna gebeurde het. Je vond wat je je niet kan voorstellen en waarvan je het bestaan niet wist (want je dacht dat je alleen was): lucht om te ademen, licht in je ogen, geluiden, handen, mensen, een moeder, een vader. En wat verlies leek, werd winst.’

En nu is het Pasen. Pasen! De allerzondagste zondag van het jaar. De tuin aarzelt nog maar zal in bloei gaan staan, de zonnestralen verwarmen nu al je huid, de vogels laten van zich horen, het gras ruikt anders. Dit is de dag dat er een steen is weggerold. Een steen voor een graf. Een eeuwige steen op onze maag ook. Hij is weggerold zonder dat ik er bij was. Ik was te laat. Ik had er niet op gerekend. Ik had alle kranten van de laatste dagen letter voor letter gelezen. Iedereen was het eens: tragische dood, ongelukkige manoeuvres van Pilatus, intriganten die de stemming voor Barabbas en tegen Jezus hadden bepaald. Treurig allemaal, maar elke overheid laat wel eens een steek vallen. Wrede executie trouwens. Ik las nogal wat ooggetuigenverklaringen. Brandende zon. Dorst. Bloed. Een schreeuw. Dood. Morsdood. En toen hadden ze deze als misdadiger veroordeelde van de schandpaal gehaald, in doeken gewikkeld – als een kind, en met alle eer weggelegd in een rotsgraf en toegesloten met een steen, zo groot dat je deze alleen met twee sterke mannen ternauwernood kon wegrollen.

Ja, er stond nog meer in de krant. Het had gek genoeg allemaal met hem te maken. Geweld in Gaza, door mannen geïntimideerde vrouwen, dronken vrachtwagenchauffeur die andere weggebruikers doodrijdt, Mosul nog steeds bezaaid met lijken, plastic in de oceanen, meer dan een mens zich kan voorstellen, en veel, heel veel meer… Ik kijk op van de krant. Ik luister. Ik hoor vogels fluiten. Een bos bloemen in een vaas naast mij zendt mij haar kleuren en geuren toe. Mijn dochter is nu bijna 38 en rolt al jaren bijna als vanzelf door het leven. Mijn zoon doet het anders – hij leeft zoals hij geboren is, bedachtzaam, stap voor stap. Ik volg hen zo goed ik kan. Net zoals ik deel ben van een grotere wereld. Het nieuws, gebeurtenissen hier en elders. Ik ben tijdgenoot en getuige. Maar het grootste ontgaat me. Op het grensverkeer van dood en leven ben ik altijd te laat. Geboren worden en sterven. Ik sta erbij, ik kijk er naar en het ontgaat me. Waar haalt dat kind de adem vandaan? En waar blijft die laatste adem van een stervend mens? Wat is er gebeurd er met je, vader, moeder, met al die anderen die ik kende en tot mijn wereld rekende? Waar zijn jullie naar toe? Het ontgaat me.

Daarom is het nu Pasen. De allerzondagste zondag van het jaar. Eén keer was iemand ons allemaal voor. Hij was al wakker toen wij nog sliepen. Niemand is erbij geweest. Godsonmogelijk leek het om die steen weg te rollen. Een vogel fluit alsof het vanzelfsprekend is. Een bloem laat zich niet van de wijs brengen. Zij leven onbezorgd. Mensen als ik kijken zijn te druk en bezorgd. Maar dan loopt er iemand aan mijn raam voorbij. Ik ken hem. Waar en wanneer was het dat ik hem heb ontmoet? Alsof ik hem al een eeuwigheid ken. Ik leg de kranten weg. Ik word duizelig bij een gedachte die mij verovert. Ik voel me voor even omgeven door een wereld die te groot is om te bevatten. Zelfs ik, de dominee, de woordenman, heb er geen woorden voor. Maar het voelt alsof ik vanaf vandaag voor altijd jarig zal zijn...

 

Terug naar overzicht…

Tweets van Aart Mak

Diensten Dorpskerk Bloemendaal

lees meer