Psalm 145. Een mooi en bijzondere psalm. Een psalm die in de joodse liturgie veel wordt gezongen. De psalm kan gezien worden als een loflied op Gods koningschap. Niet minder en niet meer dan dat. Of hij van David is, is opnieuw de vraag, maar niet van belang. ‘O Heer, mijn God, Gij koning van ’t heelal, ik wil uw naam verheffen boven al. Van dag tot dag roem ik uw majesteit, ik zegen U voor eeuwig en altijd.’ Dat is de toonzetting en ik citeerde nu de eerste verzen van de mooie berijming van Ad den Besten. In deze psalm wordt de grootheid van God bezongen.

Groot is de Heer, hem komt alle lof toe, staat in vers 3. De psalm is een acrostichon en dat betekent dat alle letters van het alfabet gebruikt worden om alle aspecten van Gods koningschap te bezingen. Het heeft iets gekunstelds, kun je zeggen. Aan de andere kant, het is een lied voor de liturgie en in de eredienst probeer je de levenskunst en de kunst van het geloven zo te laten oplichten dat het helpt om de soms barre realiteit van het dagelijkse leven in een ander licht te zetten. Want, hoezo God is koning? Is hij de baas dan? Was me nog niet zo opgevallen eigenlijk. Grote daden van hem verkondigen? Welke dan, door wie? Het evangelische gehalte van deze psalm lijkt ineens irritant groot. Een vliegtuig knalde kapot op een berghelling in Frankrijk, na een soort vrije val uit de lucht, kapot met alle 150 inzittenden. Dit kan gebeuren, jawel, maar wie is er nu koning? In de zin van de heerser over dit alles? Is die heerser er wel? Of zit God net zo machteloos te wezen als de president van Jemen? Wat is die macht van God die in deze psalm wordt bezongen waard? Wat hebben gewone mensen daaraan? Geloven mag in je vrije tijd, zeggen we dan in deze postmoderne tijd, maar  is het ook meer dan een aardige hobby?

Natuurlijk zie ik ook de ruimte die mensen nodig hebben, de ruimte die in deze psalm wordt gezocht. Dat is de ruimte om ‘grote God!’ te zeggen en dat ook nog te menen. De ruimte om in alles wat leeft het wonder van God te zien en dat ook oprecht zo te vinden. De ruimte om in de schepping – het heelal, het zonnestelsel, de planeten, de aarde en haar dampkring, het land, de zee, de dieren, al wat leeft, Gods eigenhandige werk te zien. Er zijn veel mensen die zo geloven of die zo zouden willen geloven. Wij mensen zijn stervelingen en hebben geen idee van de echte macht die onzichtbaar om ons heen is. Ik behoor ook tot die mensen. Ik wil daar ook soms ruimte voor. Genieten van Gods goedheid - ik leef! – of van de gelovige gedachte dat het toch allemaal goed komt met ons, met mensen, dieren en planten, met al wat leeft. Tja. Maar dan. Ik ben wel hoopvol, ik zie ook hoopvol uit (vers 15), maar wat moet ik met wat ik zie, hoor, ondervind, meemaak aan armoede, onrecht, marteling, dood door geweld, wreedheid, mishandeling van mensen en van dieren, zeeën die vergiftigd worden, toekomst die maar niet goed lijkt te willen worden? Wat moet ik? Wat moet ik met deze psalm?

Mijn antwoord is: geloven is doen. En doen is telkens heen en weer lopen tussen God en mensen. Ik geef u een paar voorbeelden en ontleen die dankbaar aan hoe Karel Eykman met deze psalm omgaat. Als jij aan God je brood dankt, deel dan zelf brood met een ander, van de weeromstuit. Als God je overeind helpt, help dan zelf wie vallen, van de weeromstuit. Is God nabij als hij nodig is, wees zelf dichtbij als je nodig bent. Als God barmhartig is, heb dan zelf erbarmen. Zoals God jou doet, moet je ook anderen doen, van de weeromstuit. Zoals God jou liefheeft, zul jij liefhebben… Die uitleg, helpt mij wel! God en wat hij doet gaat niet op in wat mensen zijn en doen, maar zonder mensen en wat zij doen, gaat het niet…

Blijft wel dat het goed is God te zingen, alle dagen, eeuw na eeuw en altijd. Een mens moet dat besef niet kwijtraken. Wij zijn geen machines die alleen maar draaien of stilstaan en wij zijn ook geen producten die komen, hun werk doen, verslijten en weer afgedankt worden. Een mens is meer en er is meer aan de hand in dat wat wij leven noemen en daar heeft God mee te maken. Dat God niet te doorgronden is, is nog geen reden om zijn voor ons onbegrijpelijke geheim niet te bezingen. En in elk geval ons verlangen te noemen, zoals in deze psalm gebeurt. Wij zijn op weg en onderweg hopen wij wel te ervaren dat er vriendschap is. En trouw. En steun voor mensen die vallen, en wat lucht en een beetje licht voor wie wordt opgericht. En niet alleen mensen maar ook alles wat leeft, zoals in de psalm staat. Wij mensen zijn de enige niet die leven al zijn wij misschien wel de enigen die weten wat leven is. Leven in alle grootheid en in alle kwetsbaarheid. Gelukkig het volk dat u, God, tot koning heeft, eindigt de psalm. Je zou ook kunnen zeggen: gelukkig de mensen die weten van meer en grootser en eerbiediger en liefdevoller dan wij nu meemaken. Dat is het verlangen dat wij God noemen. God als de vervulling van ons verlangen. Dat lijkt weinig, gezien alle barre realiteit, maar het is wel geloof en je kunt er een leven lang mee toe.

Psalm 145 lijkt een psalm om je te herinneren aan wat je zou vergeten als je niet verder kijkt dan je neus lang is. Het geheim van God ontsluit zich als een mens wakker wordt en beseft dat er medemensen zijn, dat er medeschepselen zijn en dat er toekomst is, dat er een weg is en dat er een diepe, grote waarheid bestaat. Dat er met andere woorden leven is, echt leven, in al zijn grootsheid en diepgang, verschrikking en verrukking.

Aart Mak (26 maart 2015)

 

Tweets van Aart Mak

Diensten Dorpskerk Bloemendaal

lees meer